De stille kracht

Met de recente terugkeer van Afrika in mijn bekommernissen (zie de laatste Achtergrond van 30 december) is ook mijn meer dan gemiddelde interesse voor ‘de stille kracht’ nieuw leven in geblazen. En dat met name door de kennismaking met Koen Peeters en zijn roman De mensengenezer (2017). In de diaspora waren die me volkomen ontgaan en in de nasleep van het boek van Lindijer werden ze me onverwacht in de schoot geworpen.

Laat ik overigens vooropstellen dat de stille kracht noch bij Peeters noch bij Lindijer expliciet aan de orde komt. Ik heb het erbij gehaald, omdat het dankzij Louis Couperus in de noordelijke Nederlanden een vertrouwd begrip is geworden met veel meer inhoud dan alleen zwarte magie (waarmee je een ander kwaad kunt doen). En als ik het dan, in Javaanse trant, omschrijf als ‘dat waar je niet over spreekt’, kom ik heel dicht bij wat Peeters in zijn boek het onzeglijke noemt.

De titel van zijn boek slaat op de categorie bijzondere mensen die een bemiddelende rol spelen in de relaties van allerlei mensen met raadselachtige ongrijpbare krachten in hun leven. Zulke middelaars zijn overal op aarde te vinden en de auteur illustreert dat door een verband te leggen tussen de plattelandscultuur van de Westhoek in het zuiden van België tegen Frankrijk aan en de Yaka-cultuur in het zuiden van de voormalige Belgische Congo bij de grens   met Angola.

Daarbij vlecht hij twee parallelle verhaallijnen in elkaar door middel van een dubbele nummering van de hoofdstukken: de ene  met recht gedrukte aantallen in cijfers en de andere met  gecursiveerde aantallen in letters (bijv. 27 & Zevenentwintig). 

De ene vertelling gaat over een boerenzoon uit de  Westhoek die omstreeks het midden van de afgelopen eeuw in plaats van zijn vader op te volgen intreedt bij de Jezuïeten, zich laat uitzenden naar de missie in Congo, in de ban raakt van de Yaka, uittreedt en drie jaar doorbrengt in een authentieke  dorpsgemeenschap om zich vervolgens – in België – verder te ontwikkelen tot een spraakmakende antropoloog en psychoanalyticus. 

De andere over een man (alter ego van de auteur, vraag je je op den duur af) die zijn studie antropologie niet heeft afgemaakt, op latere leeftijd de vereiste scriptie weer oppakt en contact zoekt met zijn leermeester van weleer. De twee leren elkaar snel beter kennen met als gevolg dat de man steeds meer gemotiveerd raakt om in de voetsporen van zijn prof – inderdaad, hoofdpersoon in de parallelle vertelling – ook naar de voormalige kolonie af te reizen. Met de noodzaak van veldonderzoek voor zijn scriptie als mooie aanleiding.

De zorgvuldigheid en eerbied of, ronduit gezegd, de liefde  waarmee Peeters beide culturen, die in Europa wat meer schetsmatig en die in Afrika wat meer gedetailleerd, uit de doeken doet, raakte me zeer en wekte allerlei herinneringen op aan gebeurtenissen, personen en gevoelens in mijn eigen verleden. Van mijn voorbereiding op de missie in Nieuw-Guinea na een roeping als 11-jarige en de indirecte communicatie met mijn, in 1986 in Tanzania verongelukte, echtgenote in een rijtjeshuis in Noord-Brabant tot de traditionele dokter bij wie onze schoonmaker in Ndjamena soelaas zocht voor aids en de winti van boslandcreolen in Suriname. 

De nog altijd wijd verbreide pejoratieve bejegening van inheemse leef- en denkwijzen in ooit door Europeanen gekoloniseerde buitenlanden is bij Peeters ver te zoeken. En van klakkeloze bewondering of ontzag met reminiscenties aan de 18e eeuwse nobele wilde zoals de recente hippe hang naar ayahuasca is evenmin sprake. Integendeel, de auteur onderzoekt en graaft, blijft nieuwsgierig en openhartig, gaat geen taboes uit de weg en laat ook twijfel en onzekerheid toe. 

De recensent van het boek in Trouw constateerde ‘existentiële kwesties waar hedendaagse schrijvers zich niet meer aan wagen’. En zijn collega van NRC concludeerde dat de prof en zijn student ‘er tot op het laatst echt van overtuigd zijn dat de wereld zich amper laat kennen’.

Wie, net als ik, vindt dat het boek smaakt naar meer, wordt door de Nederlandse uitgever op zijn wenken bediend, want in 2021 kwam er een vervolgroman uit: De minzamen. Met deze titel geeft Peeters een naam aan voornoemde categorie van middelaars tussen de zichtbare alledaagse werkelijkheid en de wereld van het onzeglijke. 

En in het verhaal staan opnieuw – met nog meer nadruk – de twee hoofdpersonages van De mensengenezer centraal. De professor in de afronding van zijn carrière en voorbereiding op de dood en de laat bloeiende student als diens vertrouweling en afgezant.

Een boek dat me doet denken aan kunstwerken als de Schilderijententoonstelling of Het Land van Maas en Waal. De recensenten beten hun tanden erop stuk. Laat iedereen zijn fantasie er maar op loslaten. De echte professor is inmiddels overleden (2020), de student alias schrijver heeft nog heel wat in petto, vermoed ik. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *