Weerzien

Het moest er een keer van komen en, achteraf gezien, was kerst – het jaarlijks moment van collectieve bezinning – een logische aanleiding.

Ik bedoel het weerzien met of letterlijk, met een boek als middel, het onder ogen zien van Afrika. Inderdaad, het continent dat al decennia lang leegloopt als een poreuze band en nog steeds groeit als kool. 

Geen wonder dat nog slechts mondjesmaat verslaggevers erop afkomen, want het is telkens hetzelfde liedje: honger en gebrek, moord en doodslag.

Lang geleden, toen Portugal zijn rijkelijk late ‘politionele acties’ uitvoerde, het apartheidsbewind in het verre zuiden geen krimp gaf en Tanzania naam maakte als broedplaats van eigenzinnige politiek en toevluchtsoord van de resterende bevrijdingsbewegingen op het continent, raakte ik er zelf aan verslingerd. En dat was zeker geen bevlieging! 

Misschien heb ik toen te hoog gegrepen en ik weet langzamerhand dat vluchtgedrag me niet vreemd is. Hoe dan ook, Afrika en ik zijn uit elkaar gedreven. Maar het vuur is nooit helemaal gedoofd.

Een paar weken geleden trof ik bij mijn zoon in huis het boek Een wolkenkrabber op de savanne van Koert Lindijer. Ik kende de auteur slechts als iemand die in de jaren tachtig als Afrika-correspondent voor o.a. NRC Handelsblad in Nairobi was begonnen. Terwijl ik in het voorgaand decennium gedurende drie jaar dat werk vanuit Tanzania had gedaan. 

De ondertitel van het boek – Veertig jaar correspondentschap in Afrika – nam alle twijfel weg, of het boek wel voor mij bestemd was. Allicht zou ik er wat in herkennen en als de relatie met NRC en andere media niet aan bod kwam, zou ik op die manier tenminste mijn kennis van recente ontwikkelingen in Afrika op peil kunnen brengen.

Al gauw kreeg ik de smaak te pakken, vooral omdat ik met name Kenia, Oeganda, Ethiopië en Rwanda zelf ook – mede door bezigheden na mijn correspondentschap – goed had leren kennen en dus allerlei situaties kon invullen en aanvoelen. Daarnaast werd ik aanmerkelijk wijzer ten aanzien van landen als Congo (de voormalige Belgische kolonie) en Soedan, die ik niet uit eigen ervaring kende maar die me wel altijd hadden geïntrigeerd. 

Het meest boeiend werd op den duur de vergelijking van zijn levensloop met de mijne. Met alle overeenkomsten en verschillen van dien en om te beginnen de keus van een standplaats. 

Het maakte in die tijd, kort na de staatsrechtelijke dekolonisatie, heel wat uit waar je je als westerling die in Afrika iets te zoeken had liet ‘dopen’ of zeg maar je ontgroening kreeg. Zo had ik uitdrukkelijk – om politieke en ideologische redenen – gekozen voor Dar es Salaam en nam ik de nadelen van het het zeeklimaat aan de kust voor lief. Mijn opvolgers daarentegen traden in de voetsporen van de kolonisten van weleer, die zich bij voorkeur op de hoogvlakte van Kenia vestigden. Nairobi was niet toevallig westers georiënteerd en ontwikkelde zich in snel tempo tot een internationaal knooppunt. 

Dat verschil is niet zonder gevolgen gebleven, te meer omdat sprake was van grote rivaliteit tussen het Kenia van Kenyatta en het Tanzania van Nyerere. Wat dat betreft toont Lindijer zich in dit boek nog steeds een ware Keniaan. Zoals in een beschouwend hoofdstuk, dat begint met een vergelijking tussen het Kenia van na de eeuwwisseling met het Nederland van zijn jeugd…

Twee alinea’s verder spelt hij dan zijn argeloze hedendaagse lezers op de mouw dat ‘de socialisten van Nyerere’ lang haar hadden verboden, als blijk van westerse decadentie (p. 290). Gelukkig kon ik nog mijn trouwfoto’s van juli 1975 vinden, als bewijs van het tegendeel. 

Het grootste verschil is natuurlijk dat ik het als correspondent drie jaar heb volgehouden en deze opvolger vier decennia. Eerlijk gezegd bekroop me soms de neiging hem te benijden, waar hij gebeurtenissen beschreef die ik best zelf had willen meemaken en – nog belangrijker – omdat hij in diverse landen relaties had kunnen opbouwen die hem bij herhaling goed van pas kwamen. 

Maar naarmate ik merkte dat hij nogal vaak in oorlogssituaties belandde, waar je struikelt over de lijken en de kogels je om de oren vliegen, schoot de conclusie me te binnen die ik al vaak in mijn leven had getrokken, dat ik voor dat soort journalistiek niet in de wieg was gelegd. 

En wat mijn volstrekt andere levensloop in het algemeen betreft bleef ik trouw aan de les dat je wel bij gedane zaken mag en moet stilstaan, maar beter kunt zorgen dat je er zo weinig mogelijk spijt van hebt. 

Het is voor mij overigens de vraag, wie ermee gebaat is dat een correspondent tot in lengte van dagen in het zelfde land en op de zelfde plaats woont en werkt. Met andere woorden: hoe houdbaar ben je als buitenlandse correspondent?

Ooit pikte ik ergens de vuistregel op dat nieuwsmedia omwille van de kwaliteit van hun berichtgeving er goed aan deden hun correspondenten na enkele jaren te vervangen, naar huis te halen of over te plaatsen. Vergelijkbaar met de  diplomatieke dienst. Dat gold zeker voor landen die ertoe deden in wereldverband of die van groot bilateraal belang waren. Ik vermoed dat die regel nog steeds wordt gehanteerd, althans in de westerse wereld. 

Lindijer prijst in zijn boek NRC (en de NOS trouwens) uitdrukkelijk, omdat ze zo lang in hem hebben  geïnvesteerd en daarmee de reis van zijn leven (p. 328)  hebben mogelijk gemaakt. Maar dat geeft geen antwoord op de vraag, waarom in zijn geval genoemde vuistregel niet is toegepast. Was Afrika soms niet belangrijk genoeg om er van tijd tot tijd een nieuwe medewerker heen te sturen?

Ik begrijp dat van de correspondent zelf in deze geen initiatief te verwachten viel. Daarvoor was hij al te zeer,  schrijft hij ook zelf, de individuele rusteloze reiziger en journalist die altijd aanstaat. Maar zijn opdrachtgevers stonden daar anders in en hadden  beter kunnen weten. Zowel vanuit eigenbelang – hoe dien ik het best mijn publiek in een sterk veranderende markt – als vanuit  het oogpunt dat je als serieuze boodschapper recht wilt doen aan wat elders in de wereld gaande is. 

Lindijer beschrijft van tijd tot tijd, in de context van de actualiteit als zijn core business, wat er in Afrika feitelijk is veranderd sinds hij daar persoonlijk vaste grond onder de voeten kreeg. Maar veel verder komt hij niet, zelfs niet wanneer hij uitrekent hoe snel de verstedelijking zich in bepaalde landen zal voltrekken.   

De constatering dat het zelfvertrouwen sterk is gegroeid, zeker onder jongeren, is niet bepaald opzienbarend en  bij de analyse dat voormalige kolonisatoren terrein verliezen ten gunste van andere krachten, van de fundamentalistische islam tot China als koploper in de wereldeconomie, haal je toch ook de schouders op? 

Afrika is in Nederland de afgelopen jaren in snel tempo verworden tot een zaak van deskundigen in gevestigde organisaties en instellingen, als onderaannemers van de de overheid, en voor de rest een allegaartje van initiatieven op de charimarkt, dus iets dat in aanleg geen zoden aan de dijk zet. 

Daadwerkelijke ontwikkelingssamenwerking van land tot land en in multilaterale kring, dat wil zeggen met skin in the game, is in Nederland volkomen zoek geraakt en sinds 22 november dreigt die helemáál te verpieteren. Dat raakt Afrika het meest. 

Een correspondent die zich heeft losgezongen van zijn oorsprong en deel is gaan uitmaken van een heel andere samenleving, gaat daar gemakkelijk aan voorbij of heeft er niet eens erg in. Maar mochten  nieuwsmedia van deze bodem alsnog een dam willen opwerpen tegen de heersende onverschilligheid en onwetendheid, zullen ze zichzelf opnieuw moeten uitvinden. 

Eén reactie op “Weerzien”

  1. Karel avatar
    Karel

    Hoi Theo, 40 jaar correspondent in dezelfde regio lijkt mij (om diverse redenen) niet gezond en professioneel. Ik zie eigenlijk uit naar jouw boek, want je hebt zoveel meegemaakt, in uiteenlopende streken… en misschien heb je ook wel streken uitgehaald…